Plein

 

Zichtbaarheid

Een plein mag geen ‘niemandsland’ zijn waarop geen toezicht is. Onvoldoende informeel toezicht kan worden gecompenseerd door (semi-)formeel toezicht. Op het plein is gelijkmatige verlichting nodig, die gezichtsherkenning mogelijk maakt, zonder hinder voor omliggende bebouwing. Veel gebruikte, overzichtelijke routes over of langs het plein kunnen de levendigheid op het plein vergroten.

Eenduidigheid

Het moet duidelijk zijn welke functie een plein heeft en wie er voor verantwoordelijk is. Straatmeubilair of groen kan strategisch worden opgesteld om zones met verschillende functies fysiek van elkaar te scheiden en publieksstromen te sturen. Gebruikers moeten in één oogopslag weten waar ze zijn en welke kant ze op moeten, door voldoende oriëntatiepunten, een eenduidige en eenvoudige wegen- en padenstructuur en waar nodig informatieborden of bewegwijzering.

Toegankelijkheid

De inrichting van een plein mag toegankelijkheid voor nood- en hulpdiensten niet hinderen. Een plein ligt bij voorkeur op of aan hoofdroute met zowel overdag als ’s avonds voldoende aanloop van wijkbewoners en bezoekers.

Aantrekkelijkheid

Kleine buurtpleinen kunnen desgewenst een specifieke doelgroep hebben, maar vooral stadspleinen moeten aantrekkelijk zijn voor zoveel mogelijk gebruikersgroepen (geen mono-gebruik door een dominante groep). Een plein kan ‘onveilige’ functies op ‘veilige’ plekken en ‘veilige’ functies op ‘onveilige’ plekken bieden. Het plein kan comfortabele zitplekken bieden (beschut tegen regen en wind) en de mogelijkheid tot ontmoeting en eventueel horeca. Groen, kunst en activiteiten kunnen bijdragen aan een 'vriendelijke' sfeer. Goed onderhoud en beheer zorgen dat alles mooi, schoon en heel is én blijft. Voldoende prullenbakken bij de zitplekken zijn nodig en (bij grotere pleinen) publiekstoiletten.

Bronnen: Architectuur en Veiligheid