Park

 

Zichtbaarheid

In een park zijn levendige en overzichtelijke routes (eventueel verlicht) nodig, naast ook meer recreatieve (onverlichte) routes. Het groenontwerp en eventuele verlichtingsplan moet op elkaar worden afgestemd (afstand tussen boomstammen en lichtmasten minimaal acht meter). Waar lange zichtlijnen gewenst zijn betekent dit dat de onderkant van boomkruinen hoger dan 2,20 meter en struiken en hagen lager dan 0,50 meter moeten zijn.  Dat betekent overigens niet dat nergens hogere bosschages zouden mogen zijn. Eventueel kan semi-formeel (uitbaters), en/of formeel toezicht (politie of toezichthouders) worden ingezet..

Eenduidigheid

Bewegwijzering en plattegronden vergroten de oriëntatie in het park. Verschillende functiegebieden kunnen duidelijk worden gemarkeerd (spelen, sport, rust, honden, etc.). Een park zou aantrekkelijk moeten zijn voor zoveel mogelijk gebruikersgroepen, dus geen mono-gebruik. Straatmeubilair kan strategisch worden opgesteld om publieksstromen te sturen.  Paden moeten een duidelijke structuur hebben.

Toegankelijkheid

De positionering van het park kan de ruimtelijke integratie in de wijk ondersteunen: het kan aan een hoofdroute liggen en daardoor zowel overdag als ’s avonds voldoende aanloop van wijkbewoners hebben. Een goed ontworpen en gepositioneerd park hoeft ’s nachts niet te worden afgesloten. In een minder gunstige (bestaande )situatie is afsluiting een optie. Op banken moet het onmogelijk zijn om op te slapen (zwervers, junkies). Een park is het liefst ontoegankelijk voor brommers.

Aantrekkelijkheid

Een park moet voldoende beschutte en zonnige zitplekken bieden. En het moet goed onderhouden zijn wat betreft het groenbeheer, zonder zwerfvuil en hondenpoep. Zonodig kan worden overwogen om ‘onveilige’ functies op ‘veilige’ plekken te plaatsen en ‘veilige’ functies op ‘onveilige’ plekken. Nodig zijn voldoende prullenbakken en (bij grotere parken) openbare toiletten.

Voorbeeld: Wijkpark Transvaal.